Lesmateriaal

---
Les 1:
Samen zingen, maar dan anders
---



 

 

 

 

 


Van eenstemmig naar meerstemmig
Tijdsperiode: tot ±1150

De tijd
We bevinden ons in ‘de tijd van de monniken en ridders’. Het was een boerensamenleving waarin landbouw (akkerbouw en veeteelt) het belangrijkste middel tot bestaan was. In deze tijd ontstond er het grootgrondbezit waarbij boeren werkten voor de heer. De plaats waar je stond in de samenleving hield af van de hoeveelheid grond dat je bezat. Het christendom was het samenbindende element, vrijwel iedereen was christen.

De muziekontwikkeling
Gregoriaans
Het bestaande repertoire werd onder Paus Gregorius I (590-604) bijeengebracht en geordend. Dit repertoire kent ruim 3000 melodieën. De functie van deze melodieën was de mensen in de stemming van vroomheid brengen.

 


Gregoriaans

Kenmerken

De vroegste vorm van meerstemmigheid was het ‘organum’ in de negende eeuw. De nieuwe stem volgde de originele stem met een afstand van een kwart (vier tonen) onder of een kwint (vijf tonen) boven de eerste stem. De tweede stem liep dus parallel met de oorspronkelijke melodie. Dit wordt ook wel parallel organum genoemd.


Hoe dit precies ontstaan is zijn nogal veel discussies over. In ieder geval vormden de kwint- en kwartintervallen mooie samenklanken die imposant klonken in middeleeuwse kathedralen.
De eerst volgende ontwikkeling was dat de parallelle beweging van de stemmen afgewisseld of vervangen werd met tegenbewegingen. Zodra de melodie van de bovenstem daalde steeg de onderstem, en omgekeerd. Een andere variant was dat de stemmen op dezelfde toon begonnen, de tweede stem zich vervolgens een kwint of een kwart verwijderde en tot slot weer op dezelfde toon eindigde. Dit wordt de aangepaste organum genoemd.

Vervolgens begon de tweede stem zich vrijer te bewegen ten opzichte van de eerste stem, dit in melodisch en ritmisch opzicht.
Deze ontwikkeling paste bij het vaste land van West-Europa. In Noord-Engeland zong men in de twaalfde eeuw al in parallelle tertsen en sexten. Deze Engelse vorm van parallel zingen noemt met ‘gymel’.

Grote namen


Luistervoorbeeld
‘Ut queant laxis’ is een gregoriaans lied. Guido van Arezzo (Guido d’Arezzo) gebruikte de beginlettergrepen (ut-re-mi-fa-sol-la) van dit lied als basis van de vastlegging van het nieuwe toonsysteem. De lofzangtekst luidt:
ut queant laxis, resonare fibris, mira gestorum, famuli tuorum, solve pollute, labii reatum, Sancte Iohannes!
Zo’n 900 jaar later werden de beginletters van ‘Sancte Iohannes’ gebruikt voor een zevende toon: ‘si’

 
Ut queant laxis

‘Ut’ werd in sommige landen vervangen door ‘do’, omdat dit geschikter was om te zingen. Zo ontstond de reeks: do-re-mi-fa-sol-la-si. In de twintigste eeuw werd ‘sol’ vervangen door ‘so’ en ‘si’ werd vervangen door ‘ti’. Uiteindelijk ontstond de reeks die we nu kennen: do-re-mi-fa-so-la-ti-do. Deze reeks komt ook voor in de musical The Sound of Music.

Toen en nu

Tegenwoordig wordt er onder andere in de popmuziek ook veel gebruik gemaakt van meerstemmige zang. Denk maar aan Twarres – She couldn’t laugh, Jason Mraz – Lucky, Pink – I have seen the rain om er maar een paar te noemen. De ene keer herken je het ‘parallel organum’, de tweede stem zingt dezelfde melodie, maar net een paar tonen er boven of eronder. Maar je hoort ook vaak het ‘aangepast organum’, de tweede stem begint op zelfde toon als de eerste stem, maar verwijdert zich een paar tonen hoger of lager en eindigt vervolgens weer op dezelfde toon. Ook hoor je nog wel eens dat de tweede stem een hele eigen melodie krijgt, ook dit geeft een mooi effect. Waarom zul je hier de komende tijd niet op letten terwijl je naar de popmuziek luistert? Sta dan stil bij het feit dat deze manier van zingen in de middeleeuwen is ontstaan.